Joke Driesen

Als Joke Driesen opviel in het kleine Zoersel-dorp van toen, was het veeleer door haar éénvoudig en zelfs armoedig bestaan. Haar kleine huisje op Einhoven deelde ze met haar geit, haar haan en haar kippen. Zij sprak daarbij de dieren aan alsof het mensen waren. Alleen de haan was niet tevreden : hij moest immers steeds binnen blijven in zijn kevie. Vooral als het winterde, mocht hij nooit buiten. Joke was bang dat hij niet meer voor nakomelingen zou kunnen zorgen als zijn kam bevroor...

 

Joke zat in haar kamertje op een laag stoeltje aan een tafel met afgezaagde pootjes. Men twijfelde er aan of ze wel ooit in haar bed kroop en niet steeds op haar stoeltje bleef zitten dutten.

Haar stoeltje stond steeds voor de open haard, wiens vuur nooit uitging. De grote assenhoop, verzameld tussen graszoden of ”russen”, bleef altijd warm, zodat de vlam er altijd in bleef.

Op het eerste zicht was Joke een nukkig meisje; toch was ze boordevol vraag naar menselijke genegenheid. Als haar geitje eens te meer voor haar nageslacht gezorgd had, kreeg de bakker op zijn ronde een centimeter-dikke pannenkoek gemaakt van biestemelk. En als het kleine geitje geslacht werd, kreeg een toevallige bezoeker een lapje vlees mee, gewikkeld in wat krantenpapier.

Joke was ook zeer godvruchtig. Trouw ging ze steeds naar de mis van de eerste vrijdag van de maand. Toen ze ouder werd en nog moeilijk door de winterse karsporen vooruit kwam, moest bakker Van Peer ze afhalen met één van de eerste auto's van het dorp. Spinnijdig was ze, als de bakker, naar haar idee, te laat kwam, en soms vertrok ze reeds te voet in het schijnsel van haar petroleumlantaarntje. 's Zondags woonde ze twee missen bij en tussen beide in, ging ze zich opwarmen bij de plaatselijke bakker - kruidenier en at ze er haar boterhammetjes op.

Veel was ze niet te zien in het dorp of in het gehucht Einhoven.
Alleen om gras te sikkelen, eikels te rapen of voedsel te zoeken voor haar geit, trok ze op weg. Later gingen de kinderen, op vraag van de kloosterzusters, het nodige voedsel zoeken. Het voedsel droogde Joke in haar kamertje naast de haard.

Joke stierf in een rusthuis, waar alles veel netter was en waar ze goed werd verzorgd. Met Joke eindigde ook een tijdperk in onze Kempen. Een tijd van hard labeur, soms bittere armoede en tegenslag ten gevolge van de "kaai-hand” of kwade hand.

Joke Driesen werd vereeuwigd in de lindeboom.

 

Bron : Een dorp onder de linde